1 oktober 2020

Wraking van een rechter, hoe zit dat ook alweer?

Wrakingen komen in Nederland niet erg vaak voor. Volgens de jaarcijfers van de rechtspraak werd in 2019 in totaal 693 keer om wraking verzocht. De bestuursrechter was 157 keer aan de beurt. Veel ervaring met wrakingsacties hebben de meeste mensen dus niet. Dat is mooi, want daaruit spreekt vertrouwen in de integriteit van de rechter en in het functioneren van de rechtspraak.

Maar áls een wrakingsactie onverhoopt nodig is, is het goed om voorbereid te zijn. Een wrakingsverzoek op een onjuist moment, tegen de verkeerde betrokkene of met een onjuiste of onvolledige motivering kan er al snel toe leiden dat het verzoek wordt afgedaan zonder dat een inhoudelijke beoordeling plaatsvindt. Hieronder bespreek ik enkele van de procedurele eisen rond wrakingsverzoeken.

Wettelijk kader

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een rechter op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Het civiele recht kent een gelijkluidende regel in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In het strafrecht regelt artikel 512 Wetboek van Strafvordering hetzelfde. Inhoudelijk zijn de wrakingsregels binnen de drie verschillende rechtsgebieden hetzelfde. Ik beperk mij hier tot het bestuursrechtelijke kader.

Wanneer?

Een wrakingsverzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden die nopen tot het verzoek bekend zijn geworden. Dat staat in artikel 8:16 eerste lid van de Awb. Dat kan dus in elke fase van de procedure gebeuren. Praktisch punt is – vanzelfsprekend – dat bekend moet zijn welke rechter de zaak behandelt. Wraking van een nog niet bekende rechter is onmogelijk.

Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat de rechter ‘die de zaak behandelt’ kan worden gewraakt. De rechter moet de zaak dus nog in behandeling hebben. Op het moment dat de rechter eenmaal een einduitspraak heeft gedaan heeft hij de zaak niet langer in behandeling. Een wrakingsverzoek dat nadien wordt ingediend, wordt niet-ontvankelijk verklaard[1].

Hoewel een wrakingsverzoek lopende de gehele procedure kan worden gedaan, bepaalt artikel 8:16 eerste lid van de Awb dat de verzoeker niet te lang moet wachten. Het artikel schrijft namelijk voor dat een verzoek om wraking moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen aan de verzoeker bekend zijn geworden. Wacht de verzoeker te lang met het indienen van het wrakingsverzoek? Dan volgt niet-ontvankelijkverklaring.

Zoiets overkwam een verzoeker bij de Centrale Raad van Beroep in 2018. In november 2017 informeerde de Raad verzoeker over de rechter die de kwestie in januari 2018 ter zitting zou behandelen. Een zoektocht op internet bracht de verzoeker op het LinkedIn-profiel van de rechter. Daar trof hij informatie over functies die zij vervulde voordat zij raadsheer werd. Haar eerdere functies deden verzoeker vermoeden dat zij niet onafhankelijk en onpartijdig zou kunnen oordelen over zijn zaak. Daarom deed hij een schriftelijk verzoek tot wraking. Hij deed dit verzoek een week voor de zitting.

De Centrale Raad verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. Verzoeker werd tegengeworpen dat hij in november 2017 al kon weten welke functies de behandelend rechter had vervuld voor zij raadsheer bij de Raad werd. Door het wrakingsverzoek pas op 10 januari 2018 in te dienen kwam hij te laat in actie[2].

Doen zich tijdens een zitting feiten of omstandigheden voor die nopen tot een wrakingsverzoek? Dien het wrakingsverzoek dan in tijdens de zitting, of direct daarna. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde een wrakingsverzoek dat berustte op feiten en omstandigheden die zich tijdens een zitting voordeden, maar dat twee weken na die zitting werd ingediend namelijk niet-ontvankelijk wegens schending van artikel 8:16 eerste lid van de Awb[3].

Een verzoeker doet er dus goed aan zo vroeg mogelijk over te gaan tot wraking, teneinde het risico op een niet-ontvankelijkverklaring te vermijden.

Tegen wie?

Een wrakingsverzoek kan alleen worden gericht tegen een rechter (of meerdere rechters), maar niet tegen ‘de rechtbank’, of tegen ‘de Afdeling’. Over een verzoek dat was gericht tegen de gehele Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde de Afdeling: “… De ratio van artikel 8:15 van de Awb is blijkens de wetsgeschiedenis gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Een wrakingsgrond dient dan ook gelegen te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijk college als zodanig betreffen. Nu het verzoek van [verzoeker] is gericht tegen de Afdeling als zodanig, wordt het niet aangemerkt als een verzoek om wraking in de zin van de wet en kan het om die reden niet in behandeling worden genomen.”[4]

Hoe?

Voor en na een zitting moet een wrakingsverzoek schriftelijk worden ingediend. Tijdens een zitting kan dat ook mondeling gebeuren. Van groot belang is dat ieder wrakingsverzoek gemotiveerd moet worden en dat daarbij alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Dat volgt uit artikel 8:16 lid 2 en 3 van de Awb.

Een niet gemotiveerd wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Een verzoeker die een staatsraad trachtte te wraken op grond van een vermelding van die staatsraad op de website www.zwartelijstrechters.org, ving bot vanwege een gebrekkig gemotiveerd wrakingsverzoek. De Afdeling overwoog dat de enkele verwijzing naar de genoemde website en naar de vermelding van de staatsraad daarop geen motivering van het verzoek inhield. Daarom kon het verzoek niet worden aangemerkt als wrakingsverzoek, en werd het niet in behandeling genomen[5].

Artikel 8:16 lid 3 van de Awb bepaalt dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Leiden meerdere omstandigheden in de zaak tot het vermoeden dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, dan moet de verzoeker al die omstandigheden tegelijk naar voren brengen. Zou hij er één achter de hand houden en wordt zijn wrakingsverzoek afgewezen? Dan kan hij deze omstandigheid niet in een tweede wrakingsverzoek alsnog voordragen. Een tweede verzoek dat berust op feiten en omstandigheden die de verzoeker in het eerste wrakingsverzoek kende – en die hij daar dus naar voren had moeten brengen – wordt niet in behandeling genomen (artikel 8:16 lid 4 van de Awb). Bij schriftelijke wrakingsverzoeken moeten alle feiten en omstandigheden in het verzoek worden opgenomen. De verzoeker die een troefkaart achter de hand houdt tot de mondelinge behandeling van zijn verzoek, loopt in de val van artikel 6:18 lid 4 van de Awb. Feiten en omstandigheden die hij eerst ter zitting naar voren brengt terwijl dat eerder had gekund, worden niet behandeld.

Ten slotte

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt het uitgangspunt dat een rechter reeds uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. De lat voor toewijzing van een wrakingsverzoek ligt daarom hoog: een verzoek wordt slechts toegewezen als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter tegenover een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is[6].

Ter illustratie: in 2019 werden van de 693 ingediende verzoeken slechts 20 verzoeken gegrond verklaard. Daar waren slechts 3 bestuursrechtzaken bij.

[1] Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3465

[2] Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:473

[3] Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9536

[4] Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1511

[5] Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:878

[6] Zie HR 18 april 1995, NJ 1996, 73

Deel: